2011 Het schemerduister van een tekening

 

het werk van A. Van Campenhout

door Paul Depondt

zoals verschenen in "Septentrion" n° 2 / 2011

 

De tekeningen van de Nederlandse kunstenaar A. van Campenhout (° 1957) wapperen niet, ze zijn niet gekruld of verkreukeld,

er zit geen snee of gat in. Ze ogen abstract, al herbergen ze in het schemerduister van de tekening tal van verwijzingen, herinneringen,

droefenis en reminiscenties. Het zijn de craquelures van, naar zijn eigen zeggen, ‘de menselijke conditie’ die hij in het grijs of het

zwart met houtskool of krijt wil weergeven. Op de tekeningen herken je soms in een flits een landschap, of wel eens een figuratie

die je ergens elders zag. Je oog wordt geleid naar een punt of naar een witte, omkaderde geometrische figuur. Er zijn tal van variaties

mogelijk, elke toeschouwer maakt zijn eigen omzwervende associaties.

 

Als je enkele tientallen tekeningen op transparante sheets, of röntgenfoto’s, op elkaar legt en over elkaar schuift (of fotokopieert),

zegt Van Campenhout, “dan ontstaat een zwart vlak”. Tekening op tekening, laag op laag, als een palimpsest, zoiets “maakt

de tekeningen min of meer onzichtbaar”. Dat wordt haast helemaal zwart. Toch blijft ‘zwart’ een venster op een oneindige ruimte,

een overgang van de tastbare wereld naar het immateriële. In Van Campenhouts grote, roetzwarte houtskooltekeningen schuilt

een diepe en veelkantige wereld, ook een bekraste en uitgegumde ontstaansgeschiedenis van een of ander beeld.

 

Als je ‘eindeloos tekent’, zegt Van Campenhout, streep na streep, laag op laag, weefsel boven weefsel, dan kom je uit op zo’n

bijna inktzwart ruim venster. Ook al zijn de sporen van het beeld, van het uitgangspunt van de tekening, door het onophoudelijk

krassen, wrijven en gummen verdoezeld, toch biedt de tekening nog altijd een ruim zicht op dat schijnbaar uitgewist beeld. In de

diepe lagen van de tekening, in de opgestapelde en weer afgeschilferde houtskool, schuilt nog steeds het oorspronkelijk beeld.

Van Campenhouts grote op de wand vastgespijkerde ‘zwarte tekeningen’ zijn met herinneringen bekraste muren, met als titel  

Muur / Wall, aangevuld met een rangnummer en een jaartal. Het zijn resonanties van een beeld, ‘nabeelden’, die je vaak pas

na lang kijken op de tekening ontwaart. Wat je ziet, wordt door de hersenen bij het kijken als het ware gereconstrueerd.

De aanleiding van de tekening blijft nazinderen.

 

 'Muren', schreef museumdirecteur Edwin Jacobs over een tentoonstelling met werk van Van Campenhout in Oss

(Noord-Brabant), 'kunnen existentiële betekenissen achterlaten: de streepjes op een gevangenismuur, de geheimzinnige tekens of

graffiti of een schutting, het zijn geschiedenissen en getuigenissen'. Zo tekent Van Campenhout ook. 'Het tekenen is voor

Van Campenhout een wijze van kijkend beschrijven; de ‘muur’ in de tekening fungeert als een formele constructie en als drager

van persoonlijke ervaringen en herinneringen'. Een muur spreekt. Soms kun je de littekens ook ontcijferen of op zijn minst aanvoelen.

Op de tekeningen tref je ook de sporen of de littekens aan van het maken. In het atelier spijkert Van Campenhout de grote bladen

op de muur, hij beklimt een ladder, gaat met het houtskool krassen, repetitief, veegt en wist, tot enige vermoeidheid optreedt

en het tekenen enigszins verslapt. Het zijn de sporen van het handschrift. Op sommige tekeningen is het schrift zeer lyrisch

en ongetemd; op andere gaat hij met veel grotere beheersing te werk en disciplineert hij het tekenen.

Van Campenhout wil het handschrift, het al te driftig tekenen, weer beteugelen. Soms worden de tekeningen allengs amorfer,

ze krijgen vaak meer diepte. Op kleine formaten gaat hij in series op zoek naar beeldende mogelijkheden en de kracht van houtskool

of pastel. Van Campenhout gaat daarbij op een nauwgezette en ‘oudmeesterlijke’ manier te werk.

 

Reminiscenties, het hele werk is ervan doordrongen. Ook al maakt hij steeds meer ongetitelde tekeningen.

Je kunt of je meent in sommige werken iets te herkennen. Zowel in opzet als in het maken bevatten ze ‘herinneringen’ en ‘ervaringen’.

Van Campenhout verwerkt opgedane impressies, ook reisindrukken, in zijn tekeningen, van zowel landschappelijke

als architectonische aard; hij gaat tijdens studieverblijven werken in musea; er trilt een soort bekend geluid doorheen het

werk, kunsthistorische verwijzingen naar de aangrijpende Los desastres de la guerra van Goya, of naar de Carceri van Piranesi.

De achttiende-eeuwse Italiaanse kunstenaar en architect Giovanni Battista Piranesi, beroemd omwille van zijn honderden

ansichten (vedute) van Rome, dook vaak onder de grond. Hij maakte prenten van keldergewelven en verborgen onderaardse

 kerkers, hij bezocht de in het schemerduister verborgen wereld. Piranesi werkte zowel ‘bovengronds’ als ‘ondergronds’;

hij maakte ‘stadsvedute’, maar bracht ook overwoekerde ruïnes en spelonken in beeld.

Net als Piranesi daalt ook Van Campenhout af in zo’n Danteske wereld.